23 augustus 2009

Uit de oude doos

Terwijl de eerste zonnestralen zich langs mijn gordijnen naar binnen worstelen, keert een auto aan het einde van de straat. De scherpe klank van het slippen van de wielen klinkt dof in mijn hoofd. Anders dan anders is het, want we dronken aanlenglimonade en renden joelend langs de huizen, terwijl het geluid van onze zolen dat kaatste op de grijze straatstenen weerklonk in de laan.

Terwijl een auto keert aan het einde van de straat, speelt het zich naar binnen worstelende licht met je haren en je ligt daar zo zielig mooi te wezen dat ik genoodzaakt ben je lief te vinden. Je bent mooi als je slaapt en dat weet je best, want je slaapt altijd een lange slaap. Zonder moeite slaap jij gaten in dagen en deuken in weken. Wat jou zal ontwaken moet wel van een vreselijk kostbaar materiaal gemaakt zijn, dat je het alleen kunt kopen met die nikkelen munten die we vroeger gebruikten als we kassajuffrouw speelden.

Terwijl een auto keert aan het einde van de straat speelt het licht met je haren. “Denk maar niet dat ik slaap. Ik ben alleen nog niet wakker geworden.”

1 opmerking: